Burn-out en toxisch leiderschap: mijn persoonlijke verhaal

Toen mijn lichaam stopte met me te dragen


Vrijdagavond 14 juni 2016. Exact tien jaar geleden.

Ik stond thuis boven aan de trap, leunde licht naar voren en staarde twee verdiepingen naar beneden.

Voor een fractie van een seconde ging er een donkere gedachte door me heen die me meteen deed schrikken. Tegelijk vroeg het rationele deel in mij zich af of het nog normaal was dat ik me zo voelde na alweer een zware dag op het werk, waar ik een slechte eindevaluatie kreeg voorgeschoteld.

Terwijl ik dit nu schrijf, krimpt mijn maag opnieuw samen en voel ik de druk op mijn hart.

Op dat moment wist ik maar één ding heel helder: ik ga nooit meer terug.

Achteraf gezien was die avond niet de oorzaak van mijn burn-out, maar de druppel die de emmer deed overlopen. Het echte verhaal begon jaren eerder.

Na een interne sollicitatie kreeg ik de kans om binnen het bedrijf een nieuwe functie op te nemen. Op dat moment voelde dat als een mooie opportuniteit: er was vrijheid, afwisseling, verantwoordelijkheid en ik werkte samen met fijne collega’s.

In het begin had ik geen idee hoe langzaam ik onderweg de connectie met mezelf zou verliezen.

Geleidelijk aan werd de werkdruk opgedreven. Het was nooit echt goed genoeg. Alles werd gecontroleerd. Targets werden belangrijker dan kwaliteit, menselijkheid of welzijn.

We werkten in een landschapskantoor waar voortdurend lawaai heerste. Telefoons bleven rinkelen. Er kwamen dagelijks boze klanten aan de lijn, vaak zonder dat er echte oplossingen mogelijk waren. Achterliggende processen werkten inefficiënt en de chaos leek nooit te stoppen.

Wat ik toen misschien nog het moeilijkst vond, was het gevoel dat er weinig ruimte was voor wat er werkelijk leefde op de werkvloer. Signalen van overbelasting, frustratie of uitputting leken nauwelijks gehoord te worden. Ik voelde me steeds minder gezien en begrepen in wat deze situatie met mij deed.

Toen besefte ik het nog niet volledig, maar mijn lichaam stond al lange tijd onder constante spanning. Ik raakte steeds meer overprikkeld, uitgeput en vervreemd van mezelf.

Wat het voor mij extra verwarrend maakte, was dat veel van die onveiligheid moeilijk zichtbaar was voor buitenstaanders.

Van buitenaf leek alles professioneel en normaal te functioneren. Maar achter gesloten deuren voelde ik steeds vaker spanning, controle en een voortdurende alertheid in mezelf ontstaan.

Ik begon steeds meer te twijfelen aan mijn eigen gevoel en probeerde me nog harder aan te passen om conflicten of kritiek te vermijden.

Het meest destructieve was misschien nog niet eens de werkdruk zelf, maar hoe ik langzaam het vertrouwen in mezelf verloor. Ik begon te geloven dat ik niet sterk genoeg was, dat ik tekortschoot en dat ik gewoon harder mijn best moest doen.

Achteraf gezien besef ik hoe diep die relationele dynamiek op mijn zenuwstelsel heeft ingewerkt.

En toch dacht ik niet aan opgeven.

Ik hield mezelf sterk. Ik zou mezelf bewijzen door nóg harder te werken, me beter aan te passen en de stress te normaliseren.

“Iedereen heeft hier stress. Dit hoort nu eenmaal bij verantwoordelijkheid.”

Mijn loyaliteit werd groter dan mijn grenzen.

Daarbovenop kwam de gedachte dat ik al zoveel anciënniteit had opgebouwd binnen het bedrijf, dat weggaan bijna ondenkbaar voelde.

En toch wist een deel in mij al langer dat deze job niet bij mij paste.

Toen kon ik dat nog niet benoemen. Nu begrijp ik dat mijn zenuwstelsel al lange tijd in overlevingsmodus zat. In freeze.

Oplossingen of signalen van buitenaf bereikten me nauwelijks nog. Alsof mijn systeem alleen nog probeerde vol te houden.

Langzaam maakte ik mezelf kleiner. En mijn eigenwaarde brokkelde steeds verder af.

Vandaag begrijp ik hoe chronische onveiligheid op het werk ervoor kan zorgen dat je steeds verder verwijderd raakt van jezelf. Niet van de ene dag op de andere, maar beetje bij beetje.

Bij mij moest het eerst nog erger worden voor ik écht kon ingrijpen. Of beter gezegd: tot mijn lichaam uiteindelijk onderuitging.

De druk bleef zich opstapelen en ook het gedrag van mijn leidinggevende werd steeds grensoverschrijdender. Er waren momenten waarop er openlijk naar mij geroepen werd op de werkvloer, terwijl collega’s meeluisterden.

Samen met de negatieve eindevaluatie werd dat de druppel.

Op dat moment besefte ik diep vanbinnen dat ik niet langer kon blijven functioneren in een omgeving die mijn lichaam al zo lang als onveilig ervaarde.

Ik keerde vanaf die dag niet meer terug naar het werk. Wat volgde was een lange periode waarin mijn lichaam en zenuwstelsel eindelijk tot stilstand kwamen.

Tien jaar later kijk ik anders naar wat er toen gebeurde. Niet als een losstaand moment, maar als een langzaam proces waarin ik mezelf steeds verder verloor in een omgeving die structureel onveilig voelde voor mijn zenuwstelsel.

Vandaag werk ik met mensen die iets gelijkaardigs herkennen: het geleidelijk verdwijnen van grenzen, energie en zelfvertrouwen in een context van chronische stress en voortdurende spanning.

Wat ik toen nog niet kon begrijpen, zie ik nu wel heel helder: ons lichaam liegt niet. Het geeft signalen lang voordat we er woorden aan kunnen geven.

En misschien is dat wat ik het meest heb geleerd: dat herstel niet begint bij harder worden of beter functioneren, maar bij opnieuw leren luisteren.

Tien jaar later is dit verhaal nog niet “af”. Maar het heeft wel betekenis gekregen.

Wat ik inmiddels weet, is dit: ik leer nog steeds om signalen ernstiger te nemen dan mijn plichtsgevoel, en om mijn grenzen te voelen, te respecteren en uit te spreken.

Misschien herken jij jezelf ergens in dit verhaal, misschien maar een klein stukje.

Maar als er één ding is dat ik hoop dat je meeneemt, dan is het dit: je lichaam spreekt altijd eerst. En het spreekt de waarheid.

Want uiteindelijk begon daar pas het echte herstel: de weg terug naar mezelf. 🌿

Ilse Jenné